Een filosofisch gesprek met kinderen rondom de vraag 'Wie is de baas van de taal?' 

Fabien van der Ham is filosofiejuf. Na het succes van de Praatprikkels, waarmee ze in 2012 de Berrie Heesen Prijs won, verschenen in oktober 2014 de Praatplaatjes, speciaal ontwikkeld om te filosoferen met jonge kinderen vanaf vier jaar. In deze gastblog vertelt Fabien over een interessant gesprek met negen kinderen rondom de filosofische vraag: ‘Wie is de baas van de taal?’ een vraag uit de kaartenset Praatprikkels – 50 filosofische vragen voor kinderen. Filosoferen met kinderen is goed voor de taalontwikkeling maar taal is ook een interessant onderwerp om over te filosoferen.

Nieuwe woorden  

“Je kunt niet zomaar een woord in een woordenboek zetten, daar moet je eerst toestemming voor hebben.” Dat stelt Margriet (8 jaar) tijdens het begin van ons filosofisch gesprek over taal met negen kinderfilosofen uit Groningen. De kinderen bedenken mooie nieuwe woorden zoals boggeren (gebogen en vermoeid lopen), ploffeling (boosheid waarvan je niet weet hoe het komt), zingup (plotselinge zin om te zingen) en pilanucara (iets in een keer weten) en die willen ze eigenlijk wel in de Dikke van Dale hebben. 

Goede woorden

Hanna denkt dat ze dat bij Van Dale best willen: “Het zijn goede woorden en dan kunnen allemaal mensen dat lezen en dan leren ze nieuwe woorden en na een paar jaar zeggen ze allemaal die woorden.” Sommige kinderen hebben daar twijfels over, zoals Marijn: “Ze willen dat denk ik niet want er zijn duizenden mensen die dat willen.” Meinte heeft de oplossing: “Dan moeten we zelf een woordenboek maken!”

Wat kost dat?

De vraag is natuurlijk of iemand dat zou willen kopen. “Als het duur is dan koopt niemand het. Voor 50 cent wel,” denkt Eline. Dat roept grote verontwaardiging op bij Boudewijn: “Dan zitten wij een heel jaar aan een mooi woordenboek te werken en dan krijgen we er maar 50 cent voor!” Behalve over de financiën maken de kinderen zich ook zorgen over het voortbestaan van de woorden.

Belangrijker

Hanna denkt dat niemand de nieuwe woorden gaat gebruiken omdat mensen geen tijd hebben om het woordenboek te lezen. Zonde. En flauw ook. Want als je een nieuw koffiezetapparaat bedenkt, kun je het zo op de markt brengen, maar een nieuw woord niet. Best raar, vindt Boudewijn en hij licht toe: “een woord is veel belangrijker want als je niks kan zeggen dan besta je niet.”

"In" zijn

Om de kinderen te inspireren vertel ik dat er ook in onze taal elk jaar nieuwe woorden bij komen. Zoals in 2014 het woord dagobertducktaks, in 2013 het woord selfie en in 2012 het woord project-X-feest. Francien Oomen bedacht in 2011 het woord wildbreien. “Dat is het”, roept Jente door de opsomming nieuwe woorden heen, “het is misschien wel makkelijk om een woord te bedenken maar niet dat iedereen ermee gaat spreken, dan moet dat wat bij dat woord hoort eerst heel erg in zijn. Of de bedenker moet beroemd zijn, of een schrijver zijn.” Ineens snappen de kinderen hoe het zit en ze roepen in koor: “Dus die zijn de baas van de taal!”

Ook doen?

Het is zeer verrassend om te filosoferen met kinderen. Hun redeneringen zijn vaak ontroerend, origineel, creatief en ook verbazingwekkend slim. Filosoferen klinkt moeilijk en veel mensen menen dat het niet geschikt is voor kinderen, maar dat is onzin. Iedereen kan het, zelfs als je pas vier jaar bent! Sterker nog: het is een aangeboren behoefte om te willen weten hoe het leven in elkaar zit. Kinderen stellen niet voor niets honderden waaromvragen.

Met de Praatprikkels en de Praatplaatjes is filosoferen met kinderen voor begeleiders praktisch en goed te begeleiden. Door te filosoferen leren de kinderen veel wat je niet uit een boekje kunt leren. Redeneren, respect, empathie, reflecteren, outside-the-boxdenken, goed en precies formuleren om maar eens een paar dingen te noemen, maar bovenal leren ze kritisch en creatief denken.

Fabien van der Ham

www.filosofiejuf.nl